Donkertijd

Zonet was er een stralende zon en een blauwe lucht. Nu is er enkel wit. Gerommel klinkt onder mijn voeten. Een machinale donder doorbreekt het monotone gezoem. Het wordt even licht in mijn hoofd. De ruimte achter de raampjes wordt steeds donkerder. Wit wordt grijs. Iemand zucht achter mij. Ik adem diep in. Het is vertrouwd. Daar is de tarmac. De wielen raken de grond. Een wip. Nogmaals op de grond. De remmen nu. Crescendo. Dan stilstand te midden van een muur van mist. Een wonder van de moderniteit. Niemand kijkt er nog van op. Vliegen is niets bijzonders meer.

De melancholie heeft me al een aantal weken in haar greep. Bij gebrek aan tijd en ruimte voor contemplatie, voor sublimatie, nestelt de donkerte zich in mijn lichaam. Sinds mijn laatste schrijven, het begin van de opgelegde wintertijd, verplaatsten drie maanden zich naar voorbij, naar het verleden. Een sequentie van stages, deadlines en examens voltrok zich terwijl het leven van mijn moeder brozer werd. Ik liet tieners nadenken over de situatie in Soedan, prutste een website in elkaar om relevant te blijven als aspirant-leerkracht in de 21ste eeuw en blokte gedwee het onderwijs-apparatchiks van de Vlaamse Overheid. Ondertussen richtten de cytostatica in mijn moeders lichaam een ravage aan. Het liet de tumoren onverschillig. Die groeiden drie maanden gewoon door.

Mijn moeder nam me vanuit de baarmoeder mee het vliegtuig op. Wandelen over de tarmac ging dan ook al snel gepaard met een zekere weemoed. Ergens arriveren betekent ergens vertrekken. Ergens toekomen betekent ergens achterlaten. Ik werd me bewust van het voorbijgaan der dingen, niet alleen in tijd, ook in ruimte. Als bescherming tegen de pijn van gemis, ontwikkelde ik het vermogen de dingen af te sluiten. Voorbij, het verleden, wordt het best herinnerd als er een bewuste keuze is een plaats, een periode, af te sluiten. Zo werd weemoed draaglijk. Melancholie nam een vaste plaats in in mijn lexicon en mijn gevoelswereld werd er melancholisch van.

Ik adem in. Ik heb geen eetlust. Mijn maag voelt als een baksteen. Ik moet iets eten. Ik probeer te slikken zonder pijn. Het lukt niet. Straks. Ik probeer niet te vergeten te eten. Ik vergeet het toch. Wat is erger: een lege maag die brandt of een volle maag die krampt? Ik heb geen tijd er lang bij stil te staan. Mijn aandacht wordt opgeëist door lesvoorbereidingen, door stageplanningen, door groepswerkjes, door gepuzzel met agenda’s, door mails hier en mails daar. Ik sluit mijn ogen. Ik wil even niet-zijn. Opgaan in een grijze zee van duisternis. Geen gedachten meer. Geen pijn meer.

Door melancholie kan ik de wereld accepteren zonder zelf ten onder te gaan. Mijn vrolijkheid is ook altijd een besef van vergankelijkheid – net daarom is ze zo vrolijk. Mijn vermoeidheid is ook altijd een besef van complexiteit – net daarom is ze zo vermoeid. Mijn zorgeloosheid is ook altijd een besef van tijdelijkheid – net daarom is ze zo zorgeloos. Mijn verontwaardiging is ook altijd een besef van schoonheid – net daarom is ze zo verontwaardigd. Mijn nieuwsgierigheid is ook altijd een besef van beperktheid – net daarom is ze zo nieuwsgierig. Melancholie maakt momenten mogelijk die het leven doet leven. Wandelen door mist op tarmac. Goochelen met planningen die weken verplaatsen naar voorbij. Een lach op mijn moeders gezicht. Maag in brand, verkrampt.

Herinneringen worden nu gemaakt, maar liggen te dichtbij om ze eervol te beschrijven. De tijd is donker zonder dat het licht uitdooft. Ik blijf in de mist, waar de contouren vager zijn, draaglijker. Het concrete, de details, verdwijnen in het wit-grijs. Alles is tegelijk gaande. Het leven kort in en deint uit. In automatische piloot slaap ik de winter door. Om me te beschermen. Om er te kunnen zijn. Om te bouwen aan wat nog kan. Om in volle bewustzijn los te laten wat niet anders kan. Om.

Reacties

Plaats een reactie

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag